M: 0 6 - 2 5 0 8 5 8 9 0

Gewone leerling ‘de dupe’ van de ‘zorgleerling’

Gewone leerling ‘de dupe’ van de ‘zorgleerling’

Niet voor alle kinderen in de klas heeft de docent voldoende aandacht.

DOOR ELLEN VAN GAALEN

Bron de stentor 1 september 2015

Leraren op basis- en middelbare scholen kunnen gewone leerlingen én kinderen die extra zorg nodig hebben niet genoeg aandacht geven.

Dat blijkt uit een representatief onderzoek van deze krant en DUO Onderwijsonderzoek onder ruim 1.600 leraren, directeuren en zorgbegeleiders op basis- en middelbare scholen en het speciaal onderwijs. Leraren zijn somber over de toekomst van kinderen met een zorgbehoefte in het reguliere onderwijs. Het is de bedoeling dat leerlingen met onder meer autisme of gedragsproblemen minder vaak naar het speciaal onderwijs worden doorverwezen. Een sympathiek idee, vinden vrijwel alle leraren, directeuren en zorgbegeleiders op basis- en middelbare scholen, maar de praktijk is weerbarstig. Uit de enquête blijkt dat gemiddeld vijf kinderen per klas extra zorg en aandacht nodig hebben. In een klas met meer dan twintig andere leerlingen groeit dat de docenten boven het hoofd. Bijna alle leraren zien bovendien dat de kinderen met een zorgbehoefte het zwaar hebben in de gewone klas. De klassen zijn te groot, leerlingen zijn gewend aan individuele aandacht en voelen zich onbegrepen. Hierdoor vinden ze het moeilijk zich aan te passen aan de groep en het tempo van de leerstof bij te houden.

Veel leraren zijn niet blij met dit zogeheten Passend Onderwijs. Op basisscholen staat 54 procent er negatief tegenover, op middelbare scholen is dat 60 procent. Ze zien Passend Onderwijs als bezuiniging en vinden dat er te weinig geld is om leerlingen goed te begeleiden.

Van driftkikker tot perfecte leerling

Van driftkikker tot perfecte leerling

Selved kon zich moeilijk concentreren en sloopte van alles. In klein stapjes veranderde zijn houding en ging hij toch over.

Selved veroorzaakte nogal wat rumoer in zijn klas op een basisschool in Leiden. Het jongetje kon zich moeilijk concentreren, was vaak afgeleid, sloopte van alles. “Het was een drama”, vertelt zijn moeder Annie. Het jongetje dreigde te blijven zitten als niet snel het roer omging.

De meester meldde hem aan voor de zogenoemde impulsklas op zijn school. Twaalf weken lang zat hij samen met zijn vader of moeder een ochtend per week in een aparte klas. Begeleiders, die precies weten hoe ze moeten omgaan met leerlingen met problemen, observeerden hem en hielpen hem, en zijn ouders, om zijn gedrag te verbeteren. “Hij kan zich nu beter concentreren op zijn werk en weet hoe hij andere kinderen kan negeren”, merkt moeder Annie.

Het aantal impulsklassen groeit gestaag. In Leiden, maar ook in Oegstgeest, Kaag en Braassem en in Breda zijn basisscholen met de groepen gestart. Na de zomer begint een nieuwe klas in Hellevoetsluis, in Groningen, Friesland en Drenthe moeten zes klassen komen. Onlangs startte ook de eerste middelbare school, in Den Bosch, met de begeleiding van groep 8-leerlingen om ze voor te bereiden op de sprong naar de brugklas.

De impulsklassen zijn in het leven geroepen voor kinderen die probleemgedrag vertonen, maar niet in het speciaal onderwijs thuis horen. Sinds 1 augustus vorig jaar geldt de wet Passend Onderwijs. De regering wil dat zo veel mogelijk kinderen in reguliere klassen terechtkomen en niet meer steevast op een speciale school belanden. Gewone scholen moeten kinderen, bijvoorbeeld met gedragsproblemen of ADHD, de zorg bieden die ze nodig hebben.

Bijna alle leraren van basis- en middelbare scholen vinden het lastig deze leerlingen in de klas te hebben. Dat blijkt uit representatief onderzoek van deze krant en DUO Onderwijsonderzoek. Leerkrachten merken dat ze deze kinderen niet genoeg aandacht kunnen geven in een klas vol met andere leerlingen.

De speciale impulsklassen bieden uitkomst. De vader of moeder van een leerling móet per se mee. “Als een ouder niet kan of wil, gaat het niet door”, zegt Katrien Schober, oprichter en coördinator van de impulsklassen. Het probleemgedrag staat meestal niet op zichzelf. De ouders merken thuis ook vaak dat er iets met hun kinderen aan de hand is. “Kinderen die in de klas overvraagd worden, lopen continu op hun tenen”, verklaart Schober. “Die spanning uiten ze in de klas, maar ook thuis.” Daarom moeten de ouders weten hoe ze hun kinderen kunnen helpen. Ook leren ze zelf hoe ze hun opvoeding zo kunnen aanpassen dat hun kroost er baat bij heeft. Uiteenlopende problemen komen samen in de impulsklas. Zo zitten er kinderen met driftbuien, losse handjes of een grote mond. Vaak komen die reacties ergens vandaan, bijvoorbeeld vanuit frustratie omdat ze niet kunnen meekomen. Er zijn ook leerlingen die zich niet concentreren als de leraar uitleg geeft.

De impulsbegeleiders helpen hen na te denken over hun eigen gedrag. Waarom luisteren ze niet naar de juf? Waarom hebben ze vaak ruzie? Waardoor zijn ze veel afgeleid? En vervolgens kijken de docenten hoe de kinderen hun problemen kunnen overwinnen. Soms is een kleine aanpassing genoeg. Kinderen met concentratieproblemen kunnen bijvoorbeeld actiever op de stoel gaan zitten, aan een tafel dichtbij de docent of een plaatje op hun bureau plakken om hen eraan te herinneren dat ze moeten opletten.

De scholieren krijgen doelen waar ze in die twaalf weken aan moeten werken: ik ga beter naar de juf luisteren, ik houd mijn handen en voeten bij me, ik houd me alleen met mijn eigen werk bezig. Elke dag houdt de juf of meester in de gaten of de scholieren hun doelen halen.

Het voordeel is dat ook de leraren beter leren omgaan met de gedragsproblemen in de klas. Die zijn vaak geneigd de kinderen continu op hun fouten aan te spreken. Terwijl de impulsbegeleiders juist de nadruk leggen op de dingen die wel goed gaan.

“Kinderen die moeilijker kunnen meekomen, belanden in een negatieve spiraal”, legt Schober uit. “Ze worden alleen op het negatieve aangesproken, worden onzeker, raken gefrustreerd. Dat uit zich in negatief gedrag.”

Het onderwijsconcept komt uit Denemarken. “We weten dat een positieve benadering goed werkt”, concludeert Annemieke Mol Lous, lector Passend Onderwijs aan de Hogeschool Leiden. Haar lectoraat onderzoekt wat de lesmethode oplevert. “In de klas loopt het vaak vast tussen de leerling en docent, omdat ze niet goed communiceren”, concludeert onderzoeker Koen de Jonge. “Het lijkt vanzelfsprekend dat kinderen het vragen als ze iets niet begrijpen, maar dat is voor deze groep helemaal niet het geval. Daar moet een docent achter komen door goede vragen te stellen.”

Moeder Annie merkt dat het goed gaat met Selved. “Ik vond hem al lief, maar nu is hij nog liever”, zegt ze. En het goede nieuws: Selved mocht toch over naar groep 7.

Moeder Annie met zoontje Selved samen aan het werk in de impulsklas.

zorgleerling stentor

 

F
F
Contact Me :

Name:

Email:

Verification Image

Enter number from above: